Duits Nederlands 0 0 0 1 der Einkaufszettel het boodschappenbriefje - 0 die Einkaufszettel de boodschappenbriefjes - 0 das Büro het kantoor - 0 die Büro de kantoren - 0 einkaufen boodschappen doen - 0 das Brot het brood - 0 die Brote de broden - 0 das Brötchen het broodje - 0 die Brötchen de broodjes - 0 der Zucker de suiker - 0 der Zettel het briefje - 0 die Zettel de briefjes - 0 der Hundertmarkschein het briefje van honderd mark - 0 die Hundertmarkscheine de briefjes van honderd mark - 0 das Taschengeld het zakgeld - 0 der Markt de markt - 0 die Märkte de markten - 0 der Bäcker de bakker - 0 die Bäcker de bakkers - 0 der Supermarkt de supermarkt - 0 die Supermärkte de supermarkten - 0 sich ausruhen uitrusten - 0 die Jacke het jasje - 0 die Jacken de jasjes - 0 die Diele de hal - 0 die Dielen de hallen - 0 bald gauw - 0 bis bald tot zo - 0 der Gedanke de gedachte - 0 die Gedanken de gedachten - 0 die Tasche de zak - 0 die Taschen de zakken - 0 verlassen verlaten - 0 die Sperre het toegangshekje - 0 der Modeschmuck de (modieuze sieraden - 0 die Fleischteke de vleeswaren(afdeling) - 0 das Viertel 125 gram (1/4 pond) - 0 woanders ergens anders - 0 das Schloss het slot - 0 die Schlösser de sloten - 0 der Einkaufswagen het boodschappenwagentje - 0 die Lebensmittel de levensmiddelen - 0 legen leggen - 0 der Kunde de klant - 0 die Kunden de klanten - 0 dran sein aan de beurt zijn - 0 der Schinken de ham - 0 kochen koken - 0 der wunsch de wens - 0 die Wünsche de wensen - 0 passieren gebeuren - 0 schwer zwaar - 0 hübsch leuk - 0 silbern van zilver - 0 frisch vers - 0 der Erdbeerkuchen de aarbdeientaart - 0 einen schönen Gruß de hartelijke groeten - 0 die Bäckerei de bakkerij - 0 die Bäckereien de bakkerijen - 0 das Schaufenster de etalage - 0 Bin ich schon dran Ben ik al aan de beurt - 0 Ich werde schon bedient Ik word al geholpen - 0 Was darf es sein Wat mag het zijn - 0 das wär's Dat was het Dat is alles - 0 Ich muss noch einkaufen Ik moet nog boodschappen doen - 0 Wollen wir einen Schaufensterbummel machen Zullen we gaan winkelen - 0 Ich habe einen ... im Schaufenster gesehen Ik heb een ... in de etalage gezien - 0 Den möchte ich mir gerne einmal ansehen Die zou ik graag eens willen bekijken - 0 zum naar de - 0 beim bij de - 0 Gemüsehändler groenteman - 0 Bäcker bakker - 0 Fleischer slager - 0 im Kaufhaus in het warenhuis - 0 Lebensmittel gibt's im Ergeschoss Levensmiddelen zijn op de begane grond - 0 Lebensmittel gibt's im Keller Levensmiddelen zijn in de kelder - 0 Entschuldigung, wo ist die nächste Drogerie/Apotheke Pardon, waar is de dichtstbijzijnde drogist/apotheek - 0 Kann ich dies umtauschen Kan ik dit ruilen - 0 Geben Sie mir bitte Geeft u mij a.u.b. - 0 eine Büchse/Dose een blik (2x) - 0 eine Schachtel een doos - 0 ein Glas een pot - 0 eine Tube een tube - 0 Bohnen bonen - 0 Pralinen bonbons - 0 Kirschen kersen - 0 Zahnpasta tandpasta - 0 Mir fällt das richtige Wort nicht ein Het juiste woord schiet me niet te binnen - 0 Ich brauche ... Ik heb ... nodig - 0 So ein Ding, um ... Zo'n ding om ... - 0 Ich weiß nur nicht, wie es auf Deutsch heißt Ik weet niet hoe het in het Duits heet - 0 Ich werde versuchen, es zu umschreiben Ik zal het proberen te omschrijven - 0 Es sieht so aus wie ein ... ,aber es ist größer/kleiner/breiter/schmaler Het ziet er uit als een ... , maar het is groter/kleiner/breder/smaller - 0 Ich meine jemand, der ... reparieren kann Ik bedoel iemand die ... kan repareren - 0 Es ist aus Metall/Kunststoff/Holz/Leder Het is van metaal/kunststof/hout/leer - 0 Es ist das Gegenteil van ... het is het tegenovergestelde van ... - 0 Man braucht es, wenn man ... Je hebt het nodig als je ... - 0 Es is t ein Geschäft wo man ... Het is een zaak waar je ... - 0